De roos, met haar ongeëvenaarde esthetiek en betoverende geur, is meer dan enkel een florale soort; zij belichaamt een levende historie die zich over miljoenen jaren uitstrekt. Paleontologische vondsten tonen aan dat de roos al 35 tot 40 miljoen jaar geleden bestond in Noord-Amerika, waar gefossiliseerde exemplaren werden ontdekt in de schalieafzettingen van Colorado. Het duurde echter miljoenen jaren voordat de mens de wilde roos ging cultiveren. De werkelijke reis van de roos, zoals wij die hebben gecultiveerd en liefhebben, begon ongeveer 5000 jaar geleden in Azië, vermoedelijk in China. Daar werd de roos voor het eerst doelbewust gecultiveerd, niet alleen om haar decoratieve waarde, maar ook vanwege haar medicinale eigenschappen, het gebruik van rozenolie in cosmetica en de verwerking tot eetbare producten zoals rozenwater en -jam. Chinese keizerlijke tuinen stonden al duizenden jaren bekend om hun uitgebreide collecties rozen en de bloem speelde een prominente rol in zowel kunst als literatuur.
De Roos in de Oudheid: Van Grieken tot Romeinen
Vanuit haar oorsprong in China verspreidde de roos zich geleidelijk westwaarts langs de oude handelsroutes. De Perzen en Egyptenaren toonden al vroeg een diepe fascinatie voor de roos, die in hun culturen symbool stond voor goddelijkheid, liefde en schoonheid. In het oude Egypte werden rozen niet alleen aangetroffen in grafkamers – vaak als bloemenkransen rond mummies – en gebruikt bij ceremoniële gelegenheden, maar ook verwerkt in parfums en oliën. Zo vertellen legenden dat Cleopatra haar vertrekken en schepen rijkelijk liet bestrooien met rozenblaadjes om Marcus Antonius te verleiden, waarbij de overweldigende geur diende als een onvergetelijke zintuiglijke ervaring.
De roos werd met grote geestdrift geadopteerd door de Oude Grieken en Romeinen. De Griekse dichteres Sappho noemde de roos in de zevende eeuw voor Christus ‘de koningin der bloemen’ en associeerde haar met de godin van de liefde, Aphrodite. De Romeinen hanteerden de roos in excessieve mate bij feestelijkheden, vaak als weelderige decoratie, in kransen die over hoofden werden gedragen, en zelfs als culinair ingrediënt in wijn en gerechten. Zo stond keizer Nero bekend om zijn extravagante banketten waarbij hij enorme hoeveelheden rozenblaadjes vanuit het plafond over zijn gasten liet neerdalen, soms in zulke grote hoeveelheden dat gasten bijna stikten. Rozen werden ook gebruikt voor cosmetische doeleinden, zoals om badwater op te fleuren. De bekende uitdrukking “sub rosa” (onder de roos) vindt ook hier haar oorsprong; een roos aan het plafond van een vertrek betekende dat alle besprekingen die daaronder plaatsvonden, geheim moesten blijven. Door deze overdaad en de opkomst van het strengere katholicisme in de vroege Middeleeuwen nam de wereldse prevalentie van de roos sterk af.
De Middeleeuwen: Kloostertuinen en Symboliek
Gedurende de Middeleeuwen, na de val van het Romeinse Rijk, werd de roos voornamelijk gecultiveerd binnen de muren van kloostertuinen. Monniken en nonnen gebruikten haar primair voor medicinale doeleinden. Rozenwater en -olie werden ingezet tegen diverse kwalen, en vooral de Rosa gallica en Rosa gallica ‘Officinalis’ (de apothekersroos) waren populair. De roos verwierf tevens een diepere religieuze symboliek; de rode roos representeerde het bloed van Christus en het martelaarschap, terwijl de witte roos de zuiverheid en onschuld van de Maagd Maria symboliseerde. De roos werd ook een belangrijk symbool in de heraldiek en politiek, zoals tijdens de Rozenoorlogen in de 15e eeuw in Engeland. In deze strijd om de Engelse troon was de rode roos het embleem van het Huis Lancaster en de witte roos dat van het Huis York, wat de diepe symbolische betekenis van de bloem in de maatschappij benadrukt.
De Oude Rozen en de Doorbraak van de Moderne Roos
Gedurende de late Middeleeuwen en de Renaissance, een periode van hernieuwde interesse voor kunst en wetenschap, herwon de roos haar status als “Koningin der Bloemen” in de seculiere maatschappij. De interesse voor rozen als sierplant in kasteeltuinen nam toe. De toegepaste rozen waren botanische variëteiten, zoals R. canina (hondroos), R. eglanteria (egelantier), en R. villosa (appelroos), en natuurlijke hybriden die door de kruisvaarders uit het Midden-Oosten waren meegebracht, zoals Rosa x alba, R. damascena en R. centifolia. Deze rozen, die samen bekend staan als oude rozen, bloeien slechts eenmaal per seizoen, meestal in het voorjaar, maar veel van hen waren goede en zeer geurige tuinrozen.
Rond 1800 bracht de globale handel een revolutie teweeg in de rozenteelt met de introductie van doorbloeiende Chinese rozen (Rosa chinensis en Rosa odorata) in Europa. Deze rozen brachten een verrassende eigenschap met zich mee: in schril contrast met de eenmalig bloeiende Europese soorten, vertoonden zij een herhaalde bloei die zich uitstrekte van de lente tot ver in de herfst. Het werd een uitdaging voor veredelaars om deze rozen te kruisen met de sterke, maar eenmalig bloeiende Europese rozen om zo planten te ontwikkelen die heel de zomer bloemen dragen. Initieel gebeurde dit door verschillende rozen samen te zetten en het bevruchten over te laten aan de wind en de insecten. Dit leidde tot de ontwikkeling van diverse nieuwe klassen, zoals de Remontant Hybriden en de Bourbonrozen.
De absolute mijlpaal werd bereikt in 1867 met de introductie van de eerste Theehybride, ‘La France’, door de Franse veredelaar Jean-Baptiste Guillot uit Lyon. Deze roos combineerde de gracieuze bloemvorm en de delicate geur van de theeroos met de bloemgrootte, betere vorstbestendigheid en, cruciaal, de doorbloei van de Europese rozen. Hoewel er onzekerheid bestaat over de rol van de Britse veredelaar Henry Bennett, wordt ‘La France’ algemeen beschouwd als de geboorte van de moderne roos, aangezien zij de blauwdruk vormde voor de duizenden cultivars die hierna zouden volgen.
De 20e en 21e Eeuw: Van Bloemenpracht tot Gezondheid
In het midden van de vorige eeuw, zo’n zestig jaar geleden, bereikte de teelt van grootbloemige rozen en trosrozen voor perken een hoogtepunt. De focus lag vooral op de grootte van de bloemen en de hoeveelheid bloemen. Dit leidde echter tot een probleem: vele rozen lieten midden in de zomer hun bladeren vallen, waardoor slechts een klein aantal bloemen op naakte stelen pronkten. Het was vaak alleen mogelijk om ze mooi te houden door ze regelmatig te bespuiten met chemische producten tegen schimmelziekten en schadelijke insecten.
Vanaf 1970 kwam hierin een ommekeer. Echte plantenliefhebbers wilden iets anders en het gebruik van chemische plantenbeschermingsmiddelen stoorde veel mensen. Veel veredelaars begonnen te selecteren op gezondheid en ziekteresistentie, onder andere door te kruisen met gezonde wilde rozen. Dit is een werk van tientallen jaren, maar resulteerde wel in een ongekende diversiteit aan rozen die robuuster en natuurlijker waren. Nieuwe groepen zoals de Floribunda’s (ontstaan uit kruisingen tussen Polyantha- en Theehybride rozen, bekend om hun overvloedige trossen bloemen), moderne Klimrozen (met krachtige, doorbloeiende stengels) en Bodembedekkende rozen (die lage, breedgroeiende matten vormen) vonden hun weg naar de tuinen, van formele borders tot informele massabeplanting.
1990: nog een jaar van de omwenteling in de rozenteelt. Onder meer de firma’s Kordes en Noack beslisten in die periode om geen insecticiden en fungiciden te gebruiken op de test- en kweekvelden. Veel bedrijven volgenden snel, zodat enkele jaren later de meeste rozen in de handel gekweekt worden op natuurvriendelijke wijze.
De roos blijft zo haar universele status behouden als symbool voor liefde, schoonheid en waardering. Heden ten dage blijft de roos ons onverminderd fascineren. Kwekers zetten hun innovaties voort, rekening houdend met hedendaagse uitdagingen zoals duurzaamheid en klimaatverandering. Er wordt specifiek ingezet op het ontwikkelen van rassen die minder water en chemische gewasbeschermingsmiddelen behoeven, en die intrinsiek beter bestand zijn tegen gangbare ziekten en plagen. Zo blijft de roos zich ontwikkelen, van een rudimentaire wilde plant tot de onbetwiste koningin van de bloemen, die generaties en culturen overstijgt.
Ik wil nog één slotakkoord uit mijn pen tokkelen en voer aan het ultieme einde één van de ‘hoofdpersonages’ uit de ‘werken van Louis Lens’ ten tonele. Het is een roosje uit 1993 waarover ik tot nu gezwegen heb. Het klimmertje ‘Guirlande d’Amour’ is een favoriet van velen. Geen klimroosje bloeit zo fel door, van in de zachte meimaand tot wanneer het koudvuur van het najaar het herfstblad zijn mooiste palet bezorgt. ‘Guirlande d’Amour’ is een juweel met langgerekte trossen dubbele witte bloempjes, een lief roosje dat je als het ware rond een buste kunt leiden. De roosjes in knop zijn als sterren in het firmament van de fantasie. Laurent Neels, Ivan Louette en ikzelf schudden het steenpuin van onze kleren. Met dit boek is een standbeeld voor Louis gebeiteld. We hopen dat u het opstelt in het hart van uw tuin, met er omheen een ‘beeldschone’ guirlande d’amour van rozen.
Uit : Louis Lens, de elegantie en de roos / Ivo Pauwels ; foto’s van Philippe De Beerst ; met bijdragen van Ivan Louette en Paul Geerts ; advies, research en eindredactie van Laurent Neels. – Tielt : Lannoo, cop. 2000. – 176 p.- 2de druk. – ISBN 90-209-3919-X
Met de toestemming van de auteur.